Zevende Hemel - James Patterson

Proloog

Het Kerstlied

Er knipoogden kleine lichtjes in de lange en dichte Douglas- spar die voor het grote raam stond. De chique ingerichte woonkamer was versierd met slingers van kerstgroen en tientallen kaarten en in de open haard knetterden blokken appelhout die de lucht met hun geur vulden.

Een gedigitaliseerde Bing Crosby zong zachtjes 'The Christmas Song'. 'Chestnuts roasting on an open fire. Jack Frost nipping at your nose...'

Henry Jablonsky kon de jongens niet goed zien. Degene die Hawk heette had zijn bril van zijn neus gerukt en een heel eind verder op de schoorsteenmantel gelegd, wat een goed teken was, vond Jablonsky op dat moment.

Het betekende dat de jongens niet geïdentificeerd wilden worden, dat ze van plan waren hen te laten gaan. Alstublieft God, als u ons laat leven dan zal ik u de rest van mijn leven dienen.

Jablonsky keek toe hoe de twee vormen om de boom heen bewogen, hij wist dat het pistool achter Hawks broekband zat. Hij hoorde inpakpapier scheuren, zag dat degene die Pidge werd genoemd een strikje voor het nieuwe poesje heen en weer liet bungelen.

Ze hadden gezegd dat ze hen niet zouden verwonden.

Ze zeiden dat dit alleen maar een beroving was.

Jablonsky had hun gezichten goed genoeg in zich opgenomen om ze aan een politietekenaar te kunnen beschrijven, wat hij direct zou gaan doen zodra ze uit zijn huis waren opgedonderd.

De beide jongens zagen eruit alsof ze uit een advertentie van Ralph Lauren waren gestapt.

Hawk. Netjes. Welsprekend. Blond haar, met een scheiding aan de zijkant. Pidge, groter. Waarschijnlijk 1 meter 85. Lang bruin haar. Zo sterk als een beer. Stevige handen. Ivy Leaguetypes. Allebei.

Misschien zat er wel een vleugje goedheid in hen.

Terwijl Jablonsky toekeek, liep de blonde, Hawk, naar de boekenkast, liet zijn lange vingers over de ruggen van de boeken gaan en somde op vriendelijke toon de titels op, alsof hij een familievriend was.

Hij zei tegen Henry Jablonsky, 'Wauw, meneer J., u hebt Fahrenheit 451. Een klassieker.'

Hawk trok het boek van de plank en sloeg de eerste bladzijde open. Toen boog hij zich voorover naar Jablonsky, die met een sok in zijn mond en vastgebonden handen en voeten op de vloer lag.

'Niemand is beter in openingszinnen dan Bradbury,' zei Hawk. En toen las hij met een luide, dramatische stem voor: 'Het was aangenaam om dingen te verbranden. Het was in het bijzonder aangenaam om te zien dat dingen werden opgevreten, zwart blakerden en veranderden.'

Terwijl Hawk voorlas, pakte Pidge een groot pak onder de boom vandaan. Het was ingepakt in goudkleurig folie en dichtgebonden met een goudkleurig lint. Het was iets wat Peggy altijd had gewild en waar ze jaren op had gewacht.

'Voor Peggy, van de kerstman,' las Pidge op van het cadeauetiket. Hij sneed de verpakking open met een mes.

Hij had een mes!

Pidge opende de doos en pelde de lagen vloeipapier af.

'Een Birkin-tas, Peggy. De kerstman heeft je een tas van negenduizend dollar gebracht! Zeg maar dag tegen je cadeautje, Peg. Dat kun je wel op je buik schrijven.'Pidge pakte nog een ingepakt cadeau en schudde de doos heen en weer, terwijl Hawk zijn aandacht naar Peggy Jablonsky verlegde. Peggy smeekte Hawk, maar de woorden werden gedempt door de prop sokken in haar mond. Het brak Henry's hart toen hij zag hoe erg ze haar best deed om met haar ogen te communiceren.

Hawk stak zijn hand uit, streelde Peggy's babyblonde haar en gaf haar daarna een klopje op haar vochtige wang. 'Nu gaan we al uw cadeaus openmaken, mevrouw J. En die van u ook, meneer J.,' zei hij. 'En daarna beslissen we of we jullie laten leven.'

Henry Jablonsky's maag draaide zich om. Hij kokhalsde door de dikke wollen sok in zijn mond, worstelde met de touwen waarmee hij was vastgebonden en rook de zure geur van urine. Hij voelde iets nats en warms onder zijn kleren. Godsamme. Hij had in zijn broek geplast. Maar dat maakte niet uit. Het enige wat telde was dat ze hier levend uitkwamen.

Hij kon niet bewegen. Hij kon niet praten. Maar hij kon wel nadenken.

Wat kon hij doen?

Jablonsky keek in het rond vanaf zijn plek op de vloer en zag de pook, op slechts een paar meter afstand. Hij fixeerde zijn blik op die pook.

'Mevrouw J.,' riep Pidge tegen Peggy, terwijl hij met een turquoise doosje rammelde. 'Deze komt van Henry. Een Peretti- ketting. Heel mooi. Wat? Wilt u iets zeggen?'

Pidge ging naar Peggy Jablonsky en haalde de sok uit haar mond.

'Jullie kennen Dougie helemaal niet, hè?' vroeg ze.

'Dougie wie?' vroeg Pidge lachend.

'Doe ons niets...'

'Nee, nee, mevrouw J.,' zei Pidge, en